Een set (met uitzondering van de beslissende vijfde set) wordt gewonnen door de ploeg die als eerste 25 punten behaalt, met een voorsprong van tenminste twee punten

Voor de wedstrijd verricht de eerste scheidsrechter de toss om te beslissen over het recht van eerste opslag en aan welke kant van het speelveld beide ploegen de eerste set moeten spelen

Met minder dan zes spelers per ploeg mag niet worden gespeeld. De beginopstelling van de ploeg is bepalend voor de opslagvolgorde van de ploeg in het veld

Zoeken op de site

Laatste update

05-09-2010 13:57

Spelwijze en speluitleg van het volleybal

6

Behalen van een punt, winnen van een set en van de wedstrijd

 

6.1

6.1.1 6.1.1.1

6.1.1.2 6.1.1.3

6.1.2

 

 

 

 

 

 

 

6.1.2.1
6.1.2.2



6.1.3

6.1.3.1
6.1.3.2

 

BEHALEN VAN EEN PUNT

Behalen van een punt: door de bal met succes in het veld van de tegenstander op de grond te spelen als de tegenstander een fout maakt als de tegenstander een bestraffing heeft gehad

Fouten. Een ploeg maakt een fout tijdens een speelactie als zij handelt in strijd met deze spelregels (of deze anderszins schendt). De scheidsrechters beoordelen de fouten en bepalen overeenkomstig de regels de te nemen maatregelen. Commentaar.

  • Fouten tijdens het spelen, dat wil zeggen handelingen in strijd met de spelregels, moeten meteen na het maken van de fout of direct na afloop van de desbetreffende rally worden bestraft. Bestraffen als al voor een volgende rally is gefloten, is niet juist. Ook een onjuiste waarneming kan slechts tot het begin van de volgende rally worden herroepen. In het geval van opstellingsfouten (met name doordraaifouten) geldt echter regel 7.7.1
  • Als blijkt dat in een eerder stadium van het spel een punt abusievelijk niet of teveel op het wedstrijdformulier is aangetekend, of dat een fout in de invulling van het formulier niet is opgemerkt enz., kan de scheidsrechter dit alsnog (laten) herstellen, maar alleen als het een voorval in de lopende set betreft.

Indien twee of meer fouten na elkaar worden gemaakt, wordt alleen de eerste fout bestraft. Indien tegenstanders gelijktijdig twee of meer fouten maken, wordt dubbelfout gegeven en wordt de rally overgespeeld.

Gevolgen van het winnen van een rally. Een rally is de opeenvolging van spelacties vanaf het moment van de opslag totdat de bal uit het spel is. als de ploeg aan opslag de rally wint, krijgt deze ploeg er een punt bij en behoudt de opslag; als de partij die de opslag ontving de rally wint,  krijgt deze ploeg het recht  van opslag èn behaalt daarbij tevens een punt.

 

6.2

 

WINNEN VAN EEN SET

Een set (met uitzondering van de beslissende vijfde set) wordt gewonnen door de ploeg die als eerste 25 punten behaalt, met een voorsprong van tenminste twee punten. In geval van gelijke stand bij 24-24 wordt het spel, zonder beperking in puntenaantal, vervolgd tot er een verschil van twee punten is bereikt (26-24, 27-25, …).

 

6.3

6.3.1

 

 

6.3.2

 

WINNEN VAN DE WEDSTRIJD

De wedstrijd wordt gewonnen door de ploeg die drie sets wint. Commentaar:

  • Bij reglement kan van deze regel worden afgeweken.

 

In geval van een gelijke stand van 2-2 in sets wordt de beslissende vijfde set gewonnen door de ploeg die als eerste 15 punten behaalt, met een voorsprong van tenminste twee punten.

 

6.4

6.4.1

 

 

6.4.2

 

 

 

 

 

 

 

6.4.3

 

IN-GEBREKE-STELLEN  en  ONVOLLEDIGE PLOEG

Als een ploeg, na daartoe te zijn gemaand, weigert te spelen, wordt zij in gebreke gesteld en verliest zij de wedstrijd reglementair met als eind­stand 0-3 voor de wedstrijd en 0-25 voor elke set.

Een ploeg die zonder geldige reden niet op tijd op het speelveld aantreedt, wordt in gebreke gesteld. Het gevolg is hetzelfde als in regel 6.4.1. Commentaar.

  • Voor de Nederlandse competitie worden de gevolgen van te laat komen, "in gebreke stellen" e.d. voor het wedstrijdresultaat bij reglement bepaald waarbij in het betreffende geval de internationale spelregels niet van toepassing zijn. In zo'n situatie moet de scheidsrechter het wedstrijdformulier zo volledig mogelijk invullen en  duidelijk noteren wat er aan de hand was. De competitieleiding gaat na welke maatregelen op grond van het wedstrijdreglement (eventueel overspelen, punten in mindering, administratieve maatregelen e.d.) moeten worden genomen. De scheidsrechter kan slechts ten dele beoordelen of een aangevoerde reden al dan niet geldig is. Hij moet in elk geval zijn bevindingen -zowel bij te laat beginnen als bij niet meer beginnen- op het wedstrijdformulier noteren. De competitieleiding kan er dan haar conclusies uittrekken.

Een ploeg die voor de rest van de set of van de wedstrijd onvolledig wordt verklaard, verliest de set of de wedstrijd. Aan de tegenpartij worden dan zoveel punten, als wel punten en sets, toegekend als nodig is om de set, respectievelijk de wedstrijd, te winnen. De onvolledig geworden ploeg behoudt de reeds behaalde punten en gewonnen sets. Commentaar.

  • Bij het onvolledig raken van een ploeg ten gevolge van een blessure of strafmaatregel moet de scheidsrechter het wedstrijdformulier wel volgens de spelregels afwerken.
  • "Onvolledig verklaren" van een ploeg geldt in principe voor de lopende set. In geval van een blessure kan daarbij een specifiek vervolg ontstaan. Ter verduidelijking van mogelijke situaties enkele voorbeelden:
    • Een ploeg heeft slechts 6 spelers. In de loop van de 2e set wordt speler 5 wegens herhaald onbehoorlijk gedrag voor de lopende set uit het veld gezon­den. De ploeg houdt dan maar 5 spelers in het veld over. Die 2e set wordt verloren verklaard. De 3e en eventueel volgende sets kunnen (met speler 5) alsnog worden gespeeld.
    • Een ploeg heeft slechts 6 spelers. In de loop van de 2e set wordt speler 5 wegens herhaalde belediging voor de rest van de wedstrijd uitgesloten. De ploeg heeft dus niet alleen voor de lopende set, doch ook voor de volgende sets maar 5 spelers over. Ook de volgende sets moeten verloren worden verklaard.
    • Een ploeg heeft 8 spelers. In de 2e set worden de beide wisselspelers 7 en 8 achtereenvolgens gewisseld tegen de basisspelers 3 en 5. Dan wordt basisspeler 1 wegens herhaalde belediging van verder meespelen uitgesloten. Een reglementaire wissel is niet meer mogelijk. De ploeg wordt voor de lopende set onvolledig verklaard, maar heeft voor de 3e en eventueel volgende sets voldoende spelers beschikbaar. Het spel wordt dus met de 3e set hervat.
    • Een ploeg heeft slechts 6 spelers. In de 2e set raakt speler 1 zodanig geblesseerd dat hij op dat moment niet verder kan spelen. Kan hij ook na een pauze van 3 minuten voor verzorging nog niet spelen dan wordt de ploeg voor de lopende (2e) set onvolledig verklaard. De ploeg krijgt daarna de normale 3 minuten pauze tussen de sets. Kan speler 1 ook na deze pauze nog niet spelen, dan wordt de ploeg voor de  rest van de wedstrijd onvolledig verklaard.

7

OPBOUW VAN HET SPEL


7.1

 

 

 

 

 

7.1.1

 

 

 

7.1.2

7.1.2.1

7.1.2.2

 

 

 

 

  

7.1.3


TOSS
Voor de wedstrijd verricht de eerste scheidsrechter de toss om te beslissen over het recht van eerste opslag en aan welke kant van het speelveld beide ploegen de eerste set moeten spelen. Indien een beslissende set moet worden gespeeld, verricht de eerste scheidsrechter opnieuw de toss. Commentaar.

  • Als de scheidsrechter voor het begin van de wedstrijd en/of voor het begin van de beslissende set heeft vergeten te tossen voor de keuze van opslag of speelveld en de wedstrijd, resp. de beslissende set, reeds is begonnen, dan kan geen van de ploegen het recht opeisen alsnog te tossen en de wedstrijd, resp. die set opnieuw te beginnen. De wedstrijd of set, dan wel het reeds gespeelde deel daarvan, blijft dus rechtsgeldig.

De toss wordt in aanwezigheid van de officiële aanvoerders van de beide ploegen verricht.
Commentaar.

  • De scheidsrechter moet direct na de toss, als de keuze bekend is wie de eerste opslag neemt en welk speelveld is gekozen, aan de aanvoerders vragen of er gezamenlijk of na elkaar aan het net wordt ingespeeld.

De ploeg die de toss wint kiest: òf het recht van opslag of ontvangst van opslag òf een speelhelft. De ploeg die de toss verliest, neemt de overblijvende keuzemogelijkheid. Commentaar:

  • De winnaar van de toss heeft twee keuzemogelijkheden, A en B.
    • A is hierbij het recht van het nemen of van het ontvangen van de eerste opslag.
    • B is de set beginnen op speelhelft “a” of speelhelft “b”. Kiest hij mogelijkheid A en zegt hij "ik wil beginnen met de opslag", dan ontvangt de tegenpartij uiteraard die eerste opslag. Deze tegenpartij heeft dan echter nog keuzemogelijkheid B, nl. de set beginnen op speelhelft a of speelhelft b. Kiest de winnaar van de toss echter mogelijkheid B, dan moet hij uitspreken of hij de set wil beginnen met spelen op speelhelft a of speelhelft b. Voor de tegenpartij blijft dan keuzemogelijkheid A over, d.w.z. deze ploeg moet dan kiezen tussen het nemen of het ontvangen van de eerste opslag. Valt deze keuze op het nemen van de eerste opslag, dan blijft er voor de winnaar van de toss slechts het ontvangen van de eerste opslag over en omgekeerd.

Als de beide ploegen na elkaar aan het net inspelen, begint de ploeg die de eerste opslag heeft met het inspelen aan het net.

 

7.2

 

 

 

 

 


7.2.1

 

 7.2.2

 

INSPELEN AAN HET NET

Commentaar:

    • Bij het inslaan aan het net is het niet toegestaan dat door de ploegen aangegooid/geslagen wordt vanaf de kant van de tegenstander naar de eigen speler(s) ten behoeve van passen en vervolgens aanvallen. Als een vereniging een dergelijke manier van inslaan aan het net toch perse wil, dan heeft men de keuze om direct na de toss aan te geven dat men na elkaar aan het net in wil spelen. De ploeg die dan de eerste opslag heeft, begint met het inspelen aan het net.”

Voor de wedstrijd mogen de ploegen, indien zij tevoren een ander speelveld tot hun beschikking hadden, samen gedurende zes minuten bij het net inspelen. Indien dit niet het geval was: tien minuten inspeeltijd.

Indien de aanvoerders kiezen voor apart inspelen aan het net, mogen de ploegen dit gedurende drie of vijf minuten doen, overeenkomstig regel 7.2.1.
Commentaar:

  • Het gebruikelijke opslaan vanaf de achterlijn van het veld moet worden geacht onderdeel van het inspelen te zijn en dient dus binnen de daarvoor gestelde tijdslimiet te geschieden.

7.3

7.3.1

 

 

7.3.2

 

 

 

 

 
7.3.3

 

7.3.4

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

7.3.5

7.3.5.1

 

7.3.5.2

 

7.3.5.3

 

BEGINOPSTELLING VAN EEN PLOEG

Met minder dan zes spelers per ploeg mag niet worden gespeeld. De beginopstelling van de ploeg is bepalend voor de opslagvolgorde van de ploeg in het veld. Deze volgorde moet gedurende de gehele set worden aangehouden.

Voor het begin van elke set moet de coach de beginopstelling van zijn ploeg op een opstel­lingsbriefje noteren en dit briefje, naar behoren ingevuld en ondertekend, aan de tweede scheids­rechter of de teller overhandigen.
Commentaar:

  • In deze pauze moeten o.a. de nieuwe opstellingen op het wedstrijdformulier worden genoteerd. De aanvoerders / coaches moeten direct tijdens het wisselen van speelhelft hun opstellingsbriefjes bij de tweede scheidsrechter of de teller inleveren. Blijft een aanvoerder / coach op dit punt duidelijk in gebreke, dan is het mogelijk dat de eerste scheidsrechter dit als spelophouden aanmerkt.

De spelers die geen deel uitmaken van de beginopstelling van een set zijn voor die set de wisselspelers (uitgezonderd  de Libero).

Na het inleveren van het opstellingsbriefje bij de tweede scheidsrechter of de teller mag zonder een reglementaire spelerswissel geen wijziging in de beginopstelling worden toegestaan.

Commentaar:

  • Na het wisselen van speelhelft kan de tweede scheidrechter bij het wisselen van het speelveld aan de coach de opstellingsbriefjes van de volgende set vragen. Dit om te voorkomen dat de tijd van 3 minuten tussen de sets niet nodeloos verlengd wordt. Als de coach bij herhaling te laat zijn opstellingsbriefje inlevert, moet de eerste scheidsrechter een maatregel voor spelophouden opleggen.
  • Wordt een verschil tussen de opstelling van de spelers in het veld en die op het opstellingsbriefje vóór het begin van de set -dus als betrokkenen nog niet hebben gespeeld- geconstateerd, dan moet de fout worden hersteld. Dit kost de ploeg geen straf, dus ook geen wissel. Wordt de hiervoor genoemde fout echter pas in de loop van de set ontdekt, dan is er sprake van gespeeld hebben in een foute opstelling. Dus in elk geval:
  • a   de betrokkenen moeten de juiste opstelling innemen;      
  • b   de fout wordt bestraft zoals bij het verlies van een rally;      
  • c    de door de betreffende ploeg in foute opstelling gescoorde       punten moeten worden geannu­leerd. BOVENDIEN: betreft het de situatie dat iemand op de bank eigenlijk in het veld had moeten staan en omgekeerd, dan wordt de correctie van deze fout aangemerkt als een wissel. Het herstellen van de opstellingsfout kost de ploeg dan een wisselbeurt en bovendien zijn de betreffende spelers voor de rest van die set aan elkaar gekoppeld. Wenst de coach in een dergelijk geval de oude opstelling te handhaven, dan kan hij uiteraard na de correctiewissel een hierop betrekking hebbende wissel aanvragen, maar slechts als het spel eerst is hervat, omdat twee opeenvolgende spelerswissels zonder tussentijdse spelhervatting niet zijn toegestaan.
  • Als bij het begin van een set een speler in afwijking van het opstellingsbriefje in het veld komt, dan moet dat op zichzelf niet als een spelerswissel worden aange­merkt. Ook niet als betrokkene kortere of langere tijd meespeelt, doordat de afwijking niet direct wordt opgemerkt.  
    Voorbeeld
    : volgens het opstellingsbriefje is nr. 6 geen basisspeler; hij is dus wisselspeler. Toch verschijnt hij ten onrechte in het veld en wel op de plaats waar eigenlijk nr. 3 had moeten staan. Deze nr. 3 zit dus op de bank. In deze situatie kan er dus niet al worden gesproken van een wissel van nr. 6 tegen nr. 3. Het daarop volgende (in de loop van de set) uitwisselen van nr. 6 tegen nr. 3 (ter correctie van de opstelling) wordt dan hun eerste wissel. Het eventueel daarna weer terugwisse­len van nr. 3 tegen nr. 6 blijft dus toegestaan.
  • Zie commentaar 7.3.5.1 (herstellen kennelijke schrijffout).
  • Zie commentaar 24.3.1 (waarschuwen in geval van opstellingsfout).

Verschil in positie van de spelers in het veld en op het

opstellingsbriefje moet als volgt afgehandeld worden: indien zo'n verschil voor het begin van een set wordt geconstateerd, moeten de spelers zich overeenkomstig het opstellingsbriefje opstellen. Hierbij wordt geen maatregel opgelegd. indien voor het begin van de set er een speler in het veld staat die niet op het opstellingsbriefje staat, dan moet de opstelling in het veld in overeenstemming worden gebracht met het opstellingsbriefje. Hierbij wordt geen maatregel opgelegd. als echter de coach een dergelijke niet genoteerde speler in het veld wil houden, moet hij een reglementaire wissel aanvragen. Deze spelerswissel wordt dan op het  wedstrijdformulier genoteerd.
Commentaar:

  • Komt op een opstellingsbriefje een kennelijke schrijffout voor (bijvoorbeeld er is een speler genoteerd die niet aanwezig is), dan moet deze fout zonder strafmaatregel worden gecorrigeerd (regel 7.3.5.1). Ook indien deze       fout wordt geconstateerd tijdens de wedstrijd, moet de scheidsrechter dit als schrijffout oplossen. Dus zonder strafmaatregel.

7.4

 

 

 

 

 

 

 

 

7.4.1 7.4.1.1

 7.4.1.2

 
7.4.2 7.4.2.1

7.4.2.2

 

7.4.3

 

 

 

7.4.3.1

 

7.4.3.2

 

 

7.4.4

OPSTELLING

Op het moment dat de bal door de serveerder wordt geslagen, moeten, met uitzondering van de serveerder, de ploegen zich in hun opslagvolgorde in het eigen veld bevinden.       
Commentaar:

  • Alleen de aanvoerder in het veld mag 1x per set toestemming vragen aan de tweede scheidsrechter om de opstelling van zijn ploeg te verifiëren (b.v. om te vragen welke speler aan de beurt is om op te slaan). Verzoeken die hier vanaf wijken worden bestraft met een maatregel voor spelophouden.
  • Op het moment van de opslag moeten de spelers -de serveerder uiteraard uitgezonderd-  zich op hun eigen speelhelft bevinden. Met 1 of 2 voet(en) op of boven een zijlijn, de achterlijn of de (gehele) middenlijn staan is nog goed.      Eén van deze lijnen met de voet(en) overschrijden, is fout (teken 13).

De posities van de spelers worden als volgt genummerd: De drie spelers die langs het net staan opgesteld zijn de voorspelers en bezetten de posities 4 (linksvoor), 3 (midvoor), 2 (rechtsvoor). De andere drie spelers zijn de achterspelers. Zij bezetten de posities 5 (linksachter), 6 midachter), 1 (rechtsachter).

Onderlinge positie t.o.v. elkaar. Iedere achterspeler moet verder van het net af staan dan de met hem corresponderende voorspeler. De voorspelers, respectievelijk de achterspelers, moeten ten opzichte van de naast hen spelende deelnemers opgesteld staan zoals in regel 7.4.1 is aangegeven.

De opstelling van de spelers wordt bepaald door en gecontroleerd aan de hand van de plaats van hun voeten waar zij de grond raken:
Commentaar.

  • Het aanraken van de vloer buiten de zijlijnen met enig ander lichaamsdeel dan de voet(en) is op het moment van de opslag eveneens verboden.
  • Het scheidsrechtersteken om aan te geven dat een speler op het moment van opslag buiten het speelveld staat, is het teken van opstellingsfout (teken 13). Het is noodzakelijk de betreffende speler en de desbetreffende zijlijn daarna aan te wijzen.

een deel van een voet van iedere voorspeler moet zich dichter bij de middenlijn bevinden dan de voet van de met hem corresponderende achterspeler; een deel van een voet van iedere rechter- of linkerspeler (voor- of achterspeler) moet zich dichter bij de met hem corresponderende zijlijn bevinden dan de voet van de middenspeler in de eigen lijn. Commentaar.

  • De tekst moet niet zo letterlijk worden opgevat dat het fout zou zijn als een speler op het moment van opslag om enigerlei reden niet met twee voeten op de grond zou staan.

Nadat de bal is opgeslagen mogen de spelers zich verplaatsen en elke positie in hun eigen veld en de vrije zone innemen.

 

7.5

7.5.1

 

7.5.2

 

7.5.3

 

 

 

 
7.5.4 7.5.4.1 7.5.4.2

 

OPSTELLINGSFOUT

De ploeg maakt een opstellingsfout als een van haar spelers, op het moment dat de serveerder de bal raakt, niet juist staat opgesteld.

Als de serveerder bij het uitvoeren van de opslag een opslagfout maakt, wordt zijn fout beschouwd als te zijn gemaakt vóór een opstellingsfout.

Als de opslag na het raken van de bal fout gaat, wordt de opstellingsfout als zodanig bestraft.
Commentaar.

  • In 7.5.3 gaat het in tegenstelling tot in 7.5.2 om twee fouten die na elkaar worden gemaakt. De opstellingsfout van de ontvangende ploeg (op het moment van de opslag) en het na de opslag fout gaan van de bal. De eerstgemaakte fout (opstellingsfout) wordt uiteraard bestraft.

Een opstellingsfout heeft tot gevolg: de ploeg wordt bestraft met het verlies van de rally de spelers moeten de juiste opstelling innemen.
Commentaar.

  • Zie regel 7.7.2. (correctie van een opstellingsfout is alleen voor het einde van de lopende set mogelijk). 

7.6

7.6.1

 

 

7.6.2

DOORDRAAIEN

De onderlinge plaats van de spelers bij het doordraaien is door de beginopstelling vastgelegd. Zij wordt gedurende de gehele set gecontroleerd aan de hand van de opslagvolgorde en de opstelling van de spelers.

Als de ploeg die de opslag ontvangt het recht van opslag krijgt, moeten haar spelers met de wijzers van de klok mee  een positie doordraaien. De speler op positie 2 draait naar positie 1 door om de opslag uit te voeren, de speler op positie 1 draait naar positie 6 door enz.

 

7.7

 

 

 

 

7.7.1

 

7.7.1.1 7.7.1.2

 

 
7.7.2

 

FOUT BIJ HET DOORDRAAIEN
Commentaar.

    • Het aanhouden van de juiste opstellingsvolgorde blijft altijd de verantwoordelijkheid van de aanvoerder en/of coach. Merkt de (tweede) scheidsrechter of een teller een foutieve opstelling niet direct op, dan moet deze foutieve opstelling worden bestraft vanaf het moment van ontstaan van deze foutieve opstelling en niet vanaf het moment waarop de (tweede) scheidsrechter of de teller de fout opmerkte.

Bij het doordraaien wordt een fout gemaakt als de opslag niet overeen­komstig de opslagvolgorde wordt uitgevoerd. Dit heeft tot gevolg: de ploeg wordt bestraft met het verlies van de rally de opslagvolgorde moet worden hersteld. Commentaar.

  • Zie regel 7.5 (samengaan van fouten in de opslagvolgorde / opstelling van de serverende ploeg met opstellingsfouten van de ontvangende ploeg).

Bovendien moet de teller het juiste moment, waarop de fout werd gemaakt, bepalen. Alle punten die daarna door de ploeg, die de fout maakte, zijn behaald, worden geannuleerd. De punten die door de tegenpartij zijn behaald, blijven gehandhaafd. Als het moment van de fout niet kan worden bepaald, worden er geen punten geschrapt en is het verlies van de rally de enige maatregel.
Commentaar.

  • Nadat de scheidsrechter het eindsignaal van een set heeft gegeven, kunnen de correcties naar aanleiding van een alsnog geconstateerde opstellingsfout niet meer worden gemaakt. Wordt in de theoretisch denkbare situatie de opstellingsfout in feite echter nog gelijktijdig met het eindsignaal opgemerkt, dan mag deze fout alsnog worden bestraft